9000-9999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

9200 Consensus-besluitvorming


Bepaling

Overleg plegen en besluiten vormen volgens het consensusmodel is een democratische manier van samen denken en werken, waarbij het democratisch keuzemoment wordt voorafgegaan door een intensief overleg, zodanig dat de diverse standpunten nader tot elkaar komen en daardoor elkaar verrijken zodat er, in het ideale geval, een consensus ontstaat, en de eindstemming nog slechts dient om die consensus te peilen en te bevestigen.

Consensus optimaliseert dus in belangrijke mate het democratisch proces.

Google - Wikipedia

Historische situering

a. de samenwerkingsstructuur

In de loop van de sociale geschiedenis evolueert men progressief van gecentraliseerde, auroritaire structuren naar samenwerkingsstijlen met volledige participatie.

Het begint met een dictator of een verlichte despoot, vervolgens wordt de willekeur der leidinggevenden beperkt door allerlei grondwetten, rechten en plichten, later worden de leiders verkozen, eerst levenslang, later voor een beperkte periode, mettertijd worden hun beslissingen gecontroleerd door allerlei geïnstalleerde raden, waarvan de samenstelling steeds meer de gehele groep of samenleving vertegenwoordigt. De functie van “controle op de leider” evolueert naar een “gezamenlijke beleidsfunctie” van de groep, waarbij de “leider” mettertijd meer en meer een coördinerende taak krijgt.

Twee factoren spelen in dit evolutieproces een voorname rol, namelijk

  1. de snelheid en het gemak waarmee onderling informatie kan uitgewisseld worden, met het ontstaan der media en de veralgemening van het internet als belangrijke keerpunten.
  2. de algemene ontwikkeling van de groepsleden waardoor zij volwaardig kunnen participeren aan het besluitvormingsproces.

b. de besluitvormingsmethode

Ook bij het oplossen der onvermijdelijke divergenties tussen inzichten en voorstellen van de groepsleden evolueerde de beslissingsstijl:

  1. de keuze: hierbij gaar men ervan uit dat er bij tegenstellingen telkens slechts één stelling de juiste kan zijn, en alle andere dus verkeerd. Dit volgens de aristotelisch-cartesiaanse methode. De eindkeuze wordt gemaakt door elkaar trachten te overtuigen van de juistheid van een visie, of door een democratische stemming waarbij men veronderstelt dat de meerderheid het bij het rechte eind heeft. Op zich is deze dualistische, “wetenschappelijke” methode niet verkeerd, maar ze is enkel toepasselijk binnen het model, dus binnen een bevattelijke reductie van de werkelijkheid. De fout bestaat erin dat men het model verwart met de werkelijkheid.
  2. de integratie: die hanteert als fundamenteel uitgangspunt de werkhypothese dat (bijna) elke tegenstelling, elk meningsverschil, elke divergentie van initiatieven slechts in schijn een tegenstelling is, die dus wellicht nooit onverzoenbaar is. Deze schijn van tegenstelling wordt veroorzaakt door het feit dat er telkens een waardevolle kern, doelstelling of uitgangspunt is, maar dat deze in te eenzijdige vormen geconcretiseerd is. Of, anders gezegd, de schijnbare divergenties ontstaan door het feit dat elk model een sterke vereenvoudiging is van de werkelijkheid, zodat de kans groot is dat men bij verschillende benaderingen verschillende vereenvoudigingen gebruikt, en dus tot schijnbaar tegengestelde besluiten komt. Het integratieproces zal er dan toe leiden dat men een nieuw, gemeenschappelijk model ontwikkelt dat met de diverse aspecten rekening houdt.

Deze laatste methode kan voor sommigen nieuw lijken, maar ze was eigenlijk al de wetenschappelijke methode vóór de Renaissance, waarbij de integratieprocessen zich echter meestal binnen één denkend individu afspeelden, en bevorderd werden door kruisingen van culturen, met Alexandrië als typevoorbeeld.

Ze werd later ook beschreven door Kant en Hegel onder de naam these, anitithese en synthese. Dit werd echter nooit tot een bruikbaar methode ontwikkeld. In de tweede helft van de twintigste eeuw, en vooral in de postmoderne denkrichting, werden veschillende denkstijlen ontwikkeld die integratie en consensus nastreefden. Het meest bekend zijn Whiteheads wetenschappelijke methode, Apostels holistische methode, Capra’s benadering, de creatieve synthese van Shostrom, de integrale kwadrantenmethode van de in Amerika populaire Wilber, en ook de zogenaamde Win-Win-methode.

Het valt op hoezeer de maçonnieke principes van broederlijkheid, tolerantie, constructief denken, en een beurtrol van verantwoordelijkheden, deze overlegcultuur ondersteunen. Men mag bijna stellen dat de integratie- en consensusmethode de hoeksteen is van de maçonnieke cultuur.

Uitgangspunt

Uitgangspunt van het integratieve consensusdenken is dat elke stelling, en elke actie, minstens twee niveaus bevat: een kern en een vormgeving. De kern (dwz het doel, de behoeften, de feiten, de uitgangspunten) is hoogstwaarschijnlijk juist, maar meestal niet direct toepasselijk. De vormgeving (dwz de concrete formulering, het verlangen, de voorgestelde verklarende hypothese) is meestal “onhandig” in de zin dat men meestal een te simplistische, subjectieve, tijdsgebonden, toevallige, eenzijdige vorm gekozen heeft, zodat er een conflict kan onststaan met de voorstellen, verlangens, projecten, verklaringen van anderen, of met de eigen niet-compatibele verlangens, bv. de dag voor het examen lang willen opblijven om nog gauw te herhalen, of vroeg gaan slapen om goed fris te zijn.

Men gaat ervan uit dat de kans, dat het een schijnconflict betreft, oneindig veel groter is dan de kans dat de éne gesprekspartner het volledig bij het rechte eind heeft, en de ander er niets van begrepen zou hebben.

Men gaat er ook van uit dat nieuwe, goede ideeën, of gewoon slechts kritieken, in het begin onvermijdelijk door een minderheid worden aangebracht die meestal niet kan optornen tegen het gezag of de wil van de meerderheid. Hun ideeën gaan dus verloren in een niet-consensusgroep, waardoor de kwaliteit van het groepswerk daalt, en de groep langzaam maar zeker achterop geraakt.

Het overleg- en besluitvorminssysteem streeft er dus naar om het schijnconflict op te lossen, door nieuwe formuleringen voor de standpunten te zoeken, waarbij niets van de onderliggende intenties verloren gaat, en waarin de ander zich ook kan terugvinden. Deze logische procedure heet meer en meer integratie.

Men merkt ook dat de motivatie der deelnemers enorm verhoogd wordt door deze vorm van participatie.

Enkele toepassingen

In maçonnieke samenwerkingsverbanden streeft men de laatste tijden steeds meer naar autonomie. Soms wordt dit zelfs soevereiniteit genoemd, maar dit begrip is verouderd sinds het bestaan van grondwetten, waar zelfs het staatshoofd aan gebonden is. Deze autonomie betekent dat de bouwstenen van de samenwerking, namelijk maçons binnen de loge, en loges binnen de confederatie, verondersteld worden voldoende te kunnen participeren aan de organisatie van de samenwerking. Welnu, dit is het principe zelf van het consensusdenken.

De consensus-methode ligt ook aan de basis van het steeds frequenter gebruikt begrip collectieve intelligentie, en ook in de peer-to-peer initiatieven zoals Linux en Wikipedia.

De methode

1. Wanneer

Systemen, van relaties en samenwerkingsverbanden tot bedrijven en de gehele samenleving, evolueren onvermijdelijk, en in de loop van de geschiedenis neemt dit evolutietempo langzaam toe.

Deze evolutie kan minimaal of reactief zijn, of maximaal of proactief. Bij reactieve groei treden er enkel wijzigingen op als de huidige toestand onhoudbaar is geworden, en dit geleid heeft tot inwendige spanningen en verzet, ofwel wanneer de concurrentie, die beter functioneerde, ver vooruit is. De uitgangsvraag is hier: wat is er zodanig slecht dat het dringend moet aangepast worden. Bij proactieve groei evolueert het systeem telkens er nieuwe mogelijkheden, kansen en ideeën voorhanden zijn, en vaak zoeken de deelnemers die bewust op door inspiratie op te doen bij analoge en concurrentiële systemen. De uitgangsvraag is hier: wat kan er (nog) beter. Om proactieve groei te verzekeren plant men evaluatiemomenten, anders treedt de evolutie enkel reactief op.

Het consensus-systeem is de aangewezen methode voor proactieve groei. De consensus-loze democratie of auroritaire structuur slaagt er, net zoals autoritaire structuren, probleemloos in om nieuwe ideeën, die steeds aangebracht worden door een minderheid, van tafel te vegen. Wie echt iets nieuws en beters wil kan dan alleen nog ontslag nemen en een nieuw initiatief beginnen, of met een groep afscheuren.

Het valt op dat nieuwe groepen spontaan de maximale groei toepassen, wat relatief gemakkelijk is, want de initiatiefnemers hebben in elkaar geestesgenoten gevonden. De divergenties, die enkel met integratie en consensus kunnen opgelost worden, ontstaan meestal pas slechts na enkele jaren. Maar dan is het meestal te laat om nog een integratief communicatiesysteem op te bouwen.

2. Het integratieproces

Omschrijving

De kern van de consensusmethode is het integratieproces. Dit streeft ernaar om de concrete vorm van de stelling of het voorstel zodanig te herformuleren, dat de kern van het concept bewaard blijft, en de eigen inbreng probleemloos kan samengevoegd worden met de inbreng van anderen.

Anders dan in de deductieve logica of wiskunde verloopt dit integratieproces grotendeels onbewust, want er komt creativiteit en inspiratie bij kijken. Het proces kan dus niet geforceerd worden of met zekerheid binnen de gestelde tijdslimieten afgerond.

Bevorderende maatregelen

Het kan echter wel sterk bevorderd worden door een paar trucs:

  • men begint het gemakkelijkst met één of meer sneuvelteksten
  • het voorzien van vrij debat, in de zuiverste brainstormingssfeer [google – wikipedia]. Het is een rustig en constructief blijven uitwisselen van langzaam evoluerende visies, en wachten op goede invallen bij de deelnemers. Men tracht daarbij de waardevolle kern van ieders boodschap te distilleren, om zo langzamerhand, door een creatief proces, een integratief standpunt te bereiken, waar (bijna) iedereen achter staat.
  • Niet enkel tijdens de besprekingen, maar ook en soms vooral tussen twee besprekingen door kan veel inpiratie worden opgedaan, bv vertrekkend van tussentijdse teksten. Herhaalde cyclussen van bespreking met tussentijdse reflectie zijn dus veel vruchtbaarder dan een marathonzitting.
  • Het gemeenschappelijk overleg kan ook voorbereid of onderbroken worden door individuele reflectie, of door kleine (werk)groepen.
  • Men kan ook bewust inspiratie opzoeken, door het bezoeken van analoge, al dan niet concurrerende verenigingen of situaties. Tegenwoordig kunnen internet en vooral Google deze inspirerende verkenningsrol voor een deel vervullen.

Grenzen

Men kan ervan uitgaan dat, zelfs al gaat de hele groep akkoord over een integratie, er vroeg of laat nog betere ideeën zullen ter beschikking komen, zelfs bij de deelnemers van de vorige consensus. Als men het overleg stopt is het dus niet omdat men overtuigd heeft dat het eindresultaat perfect is, maar omdat er (voorlopig) geen nieuwe ideeën meer naar voren komen, of omdat de tijd van handelen dringt.

Soms kan men niet verder integreren omdat de deelnemers aan het proces onvoldoende ervaring hebben met het besproken thema, en enkel oordelen vanuit subjectieve associaties. Dan is het zeer nuttig om een aantal tijdelijke experimenten toe te laten, bv. de onverzonebare varianten anast of na elkaar uitproberen, niet om te zien wat het beste is, maar later een integratie te maken van het beste van beide. In een autoiritaire of democratische structuur zijn dergelijke experimenten meestal onmogelijk.

3. De stemming

De stemming dient om de finale consensus te bevestigen. Hierbij zullen de deelnemers niet enkel logisch nadenken, maar ook hun intuïtie en “gevoel” raadplegen. Zolang de uitslag niet bv. 90 of 95 % is, wordt het overlegproces verder gezet.

Soms zal de tijdsdruk echter verplichten om vroeger te stemmen, en dit dan met gewone meerderheid. Doch normaal zal dit niet vaak voorkomen.

Hoe vroeger men de stemming plant, hoe meer waardevolle ideeën erdoorgaans verloren gaan.

Een stemming die geen 90% haalt wijst bijna zeker op onvoldoende overleg. Vandaar dat een “democratisch” systeem met afvaardigingen, die de mening van een subgroep vertolken, bijna steeds een slechte besluitvorming is, omdat die afgevaardigde uiteraard niet zelf van mening mag veranderen, vermits hij een groep vertegenwoordigt waarmee in principe steeds ruggespraak moet gepleegd worden. Zuiver numeriek gesproken laat het stemmen via partijen en afgevaardigden (en afgevaardigden van afgevaardigden) daarenboven een vervalsing toe, want bij de eindstemming zal de stemverdeling sterk verschillen van de uitslag van een plebisciet bij de basis. Zo kan een democratisch verkozen regering met eenparigheid van stemmen beslissen om een oorlog te beginnen, hoewel de meerderheid der bevolking ertegen is.

4. Voorwaarden

Dit delicaat overlegproces kan slechts plaatsgrijpen binnen sfeer van broederlijkheid en tolerantie, en (maçonnieke) discretie, waardoor men vrijuit kan spreken en luidop denken. Wat men ook zegt of doet, de groepsleden mogen nooit het vertrouwen in de goede wil en mogelijkheden van de participanten verliezen.

Bij de intussen klassieke brainstormingsmethode worden enkele voorwaarden [wikipedia] opgesomd, die uiteraard integraal bij de consensusmethode van toepassing zijn:

  • hoe meer ideeën, hoe beter het resultaat
  • geen beoordeling in een vroeg stadium, risico’s proberen te voorkomen eerder dan het geriskeerde idee te verwerpen
  • ongebruikelijke ideeën zijn meer dan welkom
  • eerder combineren dan selecteren van ideeën

5. Organisatie

De taak van de hiërarchie en gezagsstructuren in een consensusgemeenschap is dubbel:

  1. hoofdzakelijk moeten ze het overleg- en besluitvormingsproces bewaken, door de agenda en de fasen in het oog te houden, en desnoods de groep terug te brengen naar het goede spoor
  2. het proces faciliteren door te letten op de psychologische sfeervoorwaarden

Zij hebben dus geen inhoudelijk beslisrecht, maar slechts als een gewone participant suggesties formuleren.

Specifieke en meer technische projecten worden best uitgewerkt door werkgroepen, die inwendig hetzelfde overlegmodel hanteren.

Het verslaggevingssyteem uis zeer belangrijk. Ideaal is het een computer- of internet-tekst die samen met de besprekingen evolueert, en waarop men tussen de besprekingen door individueel kan reflecteren.

Kwetsbare aspecten van de consensusmethode, en enkele oplossingen

Zoals elke democratie vertoont de consensusmethode enkele kwetsbaarheden, maar er zijn maatregelen mogelijk om deze complicaties te voorkómen.

1. het consensussysteem duurt te lang, en vertraagt een vlotte organisatie

Inderdaad, het efficiëntste organisatiemodel is de dictatuur met kadaverdiscipline, zoals bij een leger. Dit organisatiemodel heeft echter twee reusachtige nadelen, namelijk (1) dat tal van goede ideeën vanuit de “lagere echelons” de “top” nooit bereiken, zodat de kwaliteit der beslissingen steeds armer wordt, en (2) dat de motivatie tot deelname daalt en men het schip verlaat van zodra mogelijk, als lid of als subgroep.

Oplossingen

  • Het overleg mag nooit leiden tot uitstellen van beslissingsdata. Deze worden bepaald in functie van de actie, en er wordt democratisch beslist als deze data bereikt zijn, ook al is de consensus dan nog geen 100%
  • Niets belet de groep om verder te gaan met overleg, ook ná de beslissingsdatum. Hierbij kunnen de nieuwe ervaringen dan bekeken worden als inspiratiebron. Het behoort overigens tot de intellectuele eerlijkheid van elke deelnemer dat hij zijn/haar afwijkende mening kenbaar blijft maken tot als een integratie is bereikt.
  • Het is niet verplicht om consensus steeds vooraf en steeds op basis van verbaal overleg te bereiken. Als het overlegproces stokt, is het verstandiger om tot een voorzichtige proefrealisatie, of tot het uitproberen der alternatieven, na of naast elkaar, over te gaan. Dit is trouwens een fundamenteel aspect van de methode van Vrij Onderzoek.

2. dwarsliggers hebben het gemakkelijk om het proces te blokkeren

Dit kan ook bij “gewone” democratie, waar filibusteren (via het Spaans van het Nederlands vrijbuiter) een klassieke aprlementaire techniek is. In de sfeer van integratief, consensusgericht overleg is dit veel moeilijker, door de positieve morele druk die de leden van elkaar ondergaan.

Oplossing

  • Het niet opschuiven van de vooraf vastgelegde beslissingsdata.
  • Men kan eventueel meer besprekingen voorzien.
  • Men kan uiteraard ook na deze datum doorgaan met het overleg

3. het probleem van de non-participatie

Hiermee wordt bedoeld dat de deelnemers vrij de kans krijgen om ten volle te participeren, maar dit niet doen. Zij die dan wel initiatief nemen krijgen dan meer en meer het gevoel dat de groep hen (en hun project) afkeurt, en/of ze komen in een feitelijke situatie van monarchie/oligarchie. Liever dan toe te geven dat ze te weinig initiatief nemen, verwijten de passieven soms aan de actieven dat ze de zaak naar hun hand willen zetten, en zich gedragen als een crypto-dictator. Of ze komen met het argument dat ze niet “durven” spreken.

Dit is de grootste kwetsbaarheid van elke niet-autoritaire organisatiestructuur, zodanig zelfs dat personen, die eerder een autoritaire organisatie nastreven, dit potentieel mislukken van een participatiesysteem zelfs gebruiken als argument vóór een meer autoritaire aanpak. Historisch voorbeeld: het mislukken van het systeem der “Vrije Volksvergadering” na mei ’68.

Oplossingen

  • elk systeem dat meer participatie toelaat / nodig heeft dan zijn autoritairdere voorloper veronderstelt uiteraard een grotere inzet en zelfdiscipline van de deelnemers. Daarom mislukt democratie in Afrika, omdat de gemiddelde bevolking er, door gebrekkige media, vorming en algemene ontwikkeling, nog niet rijp voor is.
  • Als een maçonnieke groep dit niveau niet aankan dan klopt er iets niet met de selectiecriteria voor kandidaten...
  • Zolang niemand zich opwindt over de non-participatie van velen, en vooral, zolang men hen die wel participeren niet het verwijt toestuurt dat ze de zaak naar hun hand willen zetten, is er geen ernstig probleem.

4. het einde der diversiteit?

Sommigen slaken de verzuchting dat het consensussysteem alleen kan leiden tot een eenheidskoek, een grijze mozaïekvloer. Diversiteit in opvattingen en levensvisies, en de tolerantie om dit zo te laten, is precies onze grootste rijkdom, ons individueel recht.

Oplossingen

  • Deze kritiek is een beetje een woordenspel, want er is maar sprake van rijkdom als er, via consensus, een effectieve integratie, een onderliggende bevruchting tussen de diverse varianten is opgetreden. Waren westerse muzikale harmonie en het ritme en de improvisatiestijl der negermuziek niet tot een integratie gekomen, dan ware jazz er nooit geweest. En dat was pas de grote verrijking.
  • Consensus kan maar optreden als alle waardevolle kern-elementen geïntegreerd werden. Een integratie waarbij iets verloren gaat is geen goede integratie. Zolang een deelnemer het intuïtieve gevoel heeft dat er iets ontbreekt in de voorgestelde integratie, dan mag er niet van consensus gesproken worden. Daarvoor dient o.m. de geheimde stemming.
  • Men mag niet verwachten dat consensus altijd snel optreedt. Men mag geen morele druk uitoefenen om een schijnconsensus te bereiken
  • Men mag nooit verwachten dat alle integraties door verbaal overleg kunnen bereikt worden. Vaak zal men iets een tijdlang laten gebeuren, of met varianten experimenteren, om door ervaring aan te voelen wat de essentiële kernwaarden van iets zijn.
  • Uiteindelijk getuigt de consensusmethode, die met ieders inbreng rekening tracht te houden, van een veel grotere tolerantie dan de dictatuur van de democratische meerderheid.

5. soms onoplosbaar, soms schijnconsensus

Sommigen hebben ook problemen met het consensusmodel, omdat ze de indruk hebben dat alles op bevel geïntegreerd moet (kunnen) worden. Als dit toch geschiedt dan zal het min of meer gedwongen zijn, en dus niet echt of oprecht. Zij beschouwen dit als een illustratie van de beperkte toepasselijkheid van, en dus als een bezwaar tegen het consensusdenken zelf.

Oplossingen

  • niet alles moet tot consensus komen! Bv. kunst-uitingen, in de meest brede zin van het woord. moeten dat zeker niet
  • zaken, die niet gemakkelijk onder woorden kunnen gebracht worden, krijgen in principe onbeperkt te tijd om besproken te worden. Als de bespreking moeilijk verloopt, dan ligt dit meestal aan een gebrek aan ervaring van (sommige) deelnemers over dit specifiek thema. Dan is het instellen van een experiment de verstandigste methode om het onbespreekbare toch duidelijker te maken.
  • telkens de nood bestaat om samen iets te doen, dan zijn er maar twee methodes om de onvermijdelijke verscheidenheid van visies te overbruggen: men verwerpt de ideeën van een zeker aantal groepsleden, op gezag van de baas of de meerderheid, of men tracht met ieders inbreng rekening te houden, zonder dit uiteraard aan te wenden als voorwendsel voor immobilisme. De tweede methode lijkt veel intelligenter, en getuigt van meer respect voor de minderheid en de medemens, dan de klassieke niet-consensusmethode.
  • De consensusmethode impliceert een zeker aantal maatregelen, die hoger beschreven staan. Als men deze verwaarloost mag men niet meer spreken van consensus, en de complicaties van deze gehavende methode liggen dan niet aan de consensus-methode, maar aan de slechte toepassing ervan.

6. leidt consensus tot anarchie?


7. afglijden

Ter vergelijking: men kan democratie van binnen het systeem handig omzeilen om in praktijk terecht te komen in een autoritaire structuur (Hitler was democratisch verkozen, ook de Paus en Bush worden democratisch verkozen). De trucs hierbij zijn o.m.

  • dat men niet meer over ideeën stemt maar over afgevaardigden of over bestuurders die, zolang ze niet “democratisch” worden afgezet door controle-organismen (bv. door een stemming in de beheerraad, de aandeelhoudersvergadering), in feite autoritaire bestuurders zijn
  • Deze verkozen afgevaardigden kunnen dan nog gegroepeerd worden in partijen met een “partijdiscipline” bij de stemmingen. De morele druk hierbij is dat men bij de volgende verkiezingen niet meer op een “verkiesbare” plaats staat, of zelfs uitgestoten wordt uit de partij.
  • Men kan ook in meerdere lagen kiezen, en bij elk niveau wordt er een reductie tot één stem gerealiseerd (kiesdistricten met één afgevaardigde, zodat een meerderheid bij de basis van 50.1 % op het hoogste niveau tot 100% kan halen)
  • Men kan ook coalities van partijen maken ná de verkiezingen, met uiteraard eerst onderhandelingen over regeringsprogramma’s en over benoemingen. Op die manier weet de kiezer niet voor wie of voor welk programma hij kiest, en is de verkozen meerderheid zelfs niet eens zeker dat ze de bestuursverantwoordelijkheid krijgt, want de zwakkere verliezers kunnen zich samenvoegen

Al deze regels worden daarenboven “democratisch” opgesteld en goedgekeurd.

Zo ook kan een slordig toegepast consensus-systeem ongemerkt, of door sommigen bewust gestuurd, verglijden tot een eerder autoritair systeem, Trucs hierbij zijn o.m.

  • bij de stichting spreken de stichters zich ”eenstemmig”, d.w.z. met consensus, uit over een zeker aantal regels die achteraf onbespreekbaar zijn.
  • “men kan toch niet alles bespreken” lijkt een logisch voorwendsel om voor iets maar liever toch niet te proberen een consensus te bereiken. “Consensus is toch geen saus om over alles te gieten”. “Van al dat discuteren wordt men zo moe”. “Over elke tekst die je in de handen valt een consensus zoeken is overdreven en eerder spielerei”.
  • Dan zijn er de schaakmat-argumenten waarmee op iemand, die een voorstel doet dat afwijkt van het intuïtief aanvoelen van de groep, een zachte morele druk kan uitgeoefend worden: “je hebt niet begrepen wat de groep eigenlijk wil...” Men moet daarbij “eerbied hebben voor het moedig initiatief van de stichters”, wie achteraf bepaalde zaken nog ter discussie wil stellen heeft “de boodschap niet begrepen”, of is zelfs “subversief” en “moet zich eerlijk afvragen of hij wel in deze groep thuishoort”.
  • De consensusmethode kan ook gereduceerd worden tot iets banaals of spontaans dat dus geen extra-inspanningen meer vergt: “Het is een geciviliseerde omgangsvorm tussen mensen die elkaar respecteren, een manier van zijn die we als mens in onze opvoeding meekrijgen en later als ontwikkelde volwassene beter beoefenen”. “Luisteren naar elkaar, je voordeel doen met de kennis van de ander en verder bouwen. Luisteren naar de ander maakt je menselijker, verdraagzamer of bewuster. Een streven dat we allemaal in ons hart dragen.”

Oplossingen



Een pragmatische samenvatting

  1. Dit is een poging om, vertrekkende van de hedendaagse groepsdynamica, het integratieprincipe en de holistische filosofie zoals o.m. beschreven door Apostel, een eenvoudig en bruikbaar overlegmodel te omschrijven, dat de besprekingen en besluitvormingsprocessen van een tertiaire samenwerkingsgroep zou sturen. Het valt op hoezeer de maçonnieke principes van broederlijkheid, tolerantie, constructief denken, en een beurtrol van verantwoordelijkheden deze overlegcultuur ondersteunen.
  2. We hanteren als fundamenteel uitgangspunt de werkhypothese dat (bijna) elke tegenstelling, elk meningsverschil, elke divergentie van initiatieven slechts in schijn een tegenstelling is, die dus wellicht nooit onverzoenbaar is. Deze schijn van tegenstelling wordt veroorzaakt door het feit dat er telkens een waardevolle kern, doelstelling of uitgangspunt is, maar dat deze in te eenzijdige vormen geconcretiseerd is.
  3. De bedoeling van een empathisch, respectvol overleg- en besluitvormingsproces is om deze schijnbare tegenstelling te overbruggen, door de concrete denkbeelden te herformuleren zodat er niets van de waardevolle kern verloren gaat, en er uiteindelijk een integratie met consensus kan gerealiseerd worden.
  4. De stemming dient om de finale consensus te bevestigen. Zolang de uitslag niet bv. 90% is, wordt het overlegproces verder gezet. Soms zal de tijdsdruk echter verplichten om vroeger te stemmen, en dit dan met gewone meerderheid. Doch normaal zal dit niet vaak voorkomen. Nieuwe en goede ideeën beginnen steeds als de overtuiging van een minderheid, dus hoe vroeger men de stemming plant, hoe meer waardevolle ideeën er verloren gaan. Het zgn. democratisch principe leidt veeleer tot een dictatuur van de middelmaat. Het is geen democratie van goede ideeën, maar een periodiek verkiezen van tijdelijke dictators.
  5. De standpunten groeien langzamerhand nader tot elkaar door tijdens herhaalde overlegmomenten rustig en eerbiedig te luisteren naar iedereen die het woord wil nemen, in een herhaalde cyclusbeweging. Men tracht daarbij de waardevolle kern van ieders boodschap te distilleren, en langzamerhand door een creatief proces een integratief standpunt te bereiken, waar (bijna) iedereen achter staat.
  6. Dit gemeenschappelijk overleg wordt geregeld onderbroken om individuele reflectie, eventueel op basis van het tussentijds verslag, en brainstorming in kleine groepen toe te laten. Dus geen marathonvergaderingen, tenzij de tijdsdruk daartoe verplicht.
  7. De taak van de hiërarchie en gezagsstructuren is hoofdzakelijk om dit overleg- en besluitvormingsproces te bewaken en te faciliteren. Zij hebben geen inhoudelijk beslisrecht, anders is de zogenaamde democratie niet meer dan een wissel-oligarchie of –dictatuur.
  8. Uiteraard worden specifieke en meer technische projecten uitgewerkt door werkgroepen, die inwendig hetzelfde overlegmodel hanteren.
  9. Dit delicaat overlegproces kan slechts plaatsgrijpen binnen sfeer van broederlijkheid en tolerantie, en discretie (maçonniek geheim) waardoor men vrijuit kan spreken en luidop denken.
  10. De groei van het systeem gebeurt maximaal, d.w.z. niet enkel als er problemen zijn, maar telkens men groeimogelijkheden vermoedt. Er is dus een geregelde evaluatie op voorziene tijdstippen. De vraag is dan: wat kan er (nog) beter?, en niet: wat is er slecht?